|
Wanze Eduards en Hugo Jabini, leden van een Marron gemeenschap die oorspronkelijk in de 17e eeuw werd gesticht door weggelopen Afrikaanse slaven, hebben hun gemeenschappen met succes georganiseerd tegen houtkap op hun traditionele gronden, hetgeen uiteindelijk geleid heeft tot een vonnis dat een mijlpaal betekent voor inheemse en tribale volkeren over het gehele Amerikaanse continent als het gaat om het beheersen van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen binnen hun grondgebieden. Houtkap versus traditie De tribale volkeren zijn de Marrons, de nakomelingen van Afrikaanse slaven die tussen de 18e eeuw en halverwege de 19e eeuw voor hun vrijheid vochten en autonome gemeenschappen vestigden in het regenwoud. De Saramakaners zijn een subgroep van de Marrons en bewonen een gebied van 9.000 km2. In 1963 verloren zij bijna de helft van hun traditioneel grondgebied aan een stuwdam die elektriciteit moest opwekken voor een bauxietfabriek van Alcoa. Veel Saramakaners zijn verplaatst en verblijven tot op heden in transmigratiedorpen. Anderen vestigden nieuwe gemeenschappen aan de Boven-Suriname rivier. Eind jaren 1990 stond de Surinaamse overheid toe dat houtkapbedrijven, tegen de wens van de Saramakaners verkenningsprojecten en kampen opzetten in het gebied. Voorts veroorzaakten slecht aangelegde bruggen over kreken hevige overstromingen met als gevolg dat een groot gebied onbruikbaar werd voor traditionele landbouw en andere activiteiten, waarmee de Saramakaners nog eens 10 procent van hun gebied kwijtraakten. Oppositie Eduards en Jabini reageerden voor het eerst op klachten over de houtkapbedrijven in 1996, toen dorpsbewoners ontdekten dat houtkappers hun kostgronden in het bos hadden vernietigd. De overheid vertelde de Saramakaners dat zij zouden worden opgesloten als zij de houtkappers zouden verhinderen te werken. Eduards en Jabini organiseerden bijeenkomsten in de dorpen die het meest getroffen waren. Toen zij vaststelden dat de bedreiging alle Saramakaners betrof, waaronder bijna 70 dorpen aan de Boven-Suriname rivier met in totaal zo’n 25.000 personen, werden de bijeenkomsten uitgebreid naar alle Saramakaanse gemeenschappen. Onder leiderschap van Eduards en Jabini richtten de gemeenschappen de Vereniging van Saramakaanse Gezagsdragers (VSG) op, zodat zij beter in staat waren hun gronden te verdedigen en op te komen voor hun rechten. Jabini en Eduards hebben ervoor gezorgd dat Saramakaners werden getraind in het zelf vervaardigen van accurate kaarten van hun traditioneel grondgebied en om de effecten van de houtkapconcessies te documenteren. Na zo’n 60 bijeenkomsten in de verschillende dorpen was de consensus dat de Saramakaners hun recht niet zouden vinden in Suriname en dat zij zich tot het Inter-Amerikaans mensenrechtensysteem moesten richten. In oktober 2000 diende VSG een klacht in bij de Inter-Amerikaanse Commissie inzake de Rechten van de Mens (IACHR). Tijdens en na indiening van de klacht, verzamelden Jabini en Eduards informatie die het effect van de houtkap aantoonden op de Saramakaners alsmede de bedreiging van ‘onherroepelijke schade’ indien de IACHR niet zou ingrijpen. Zij bleven ook bijeenkomsten organiseren in het Saramakaans grondgebied om te verzekeren dat zoveel mogelijk mensen bewust werden gemaakt van de ontwikkelingen in hun zaak en konden participeren in het besluitvormingsproces. In 2002 en nogmaals in 2004, deed het IACHR een verzoek aan Suriname om alle houtkapconcessies, mijnbouwexploratie en andere exploitatie van natuurlijke hulpbronnen aan te houden op gronden die gebruikt en geoccupeerd werden door de Saramakaners, totdat de inhoudelijke klachten in de zaak waren onderzocht. De Commissie vroeg Suriname ook om passende maatregelen te treffen gericht op bescherming van de fysieke integriteit van het Saramakaans volk. Deze interim-maatregelen die gebaseerd waren op het bewijs dat Jabini en Eduards hadden verzameld, waren essentieel bij het aanhouden van de projecten. Toen bleek dat de Surinaamse regering de projecten toch niet helemaal had stopgezet [en ook de andere aanbevelingen van de Commissie niet had uitgevoerd], bracht het IACHR de zaak aan bij het Inter-Amerikaans Hof, een juridisch bindend orgaan waarvan Suriname lid is. Het vonnis van het Hof in Saramakaans volk versus Suriname verschaft niet alleen de basis voor de juridische erkenning en bescherming van Saramakaans grondgebied ten aanzien van landrechten en voorafgaand weloverwogen instemming, maar schept ook het juridisch kader voor de erkenning van de rechten van alle inheemse en tribale volkeren in Suriname. Conform het vonnis van het Hof valt hieronder “hun rechten om dit gebied te beheren, te distribueren en er effectief controle over uit te oefenen, overeenkomstig hun gewoonterechten en traditionele collectief landgebruikssysteem.” In januari 2008 verklaarde de Surinaamse regering publiekelijk dat het vonnis van het Hof volledig zou worden nageleefd. Een nieuw precedent voor inheemse en tribale volkeren Eduards en Jabini hebben niet alleen voor de Saramakaners territoriale rechten gegarandeerd, maar voor alle Marron en inheemse volkeren van Suriname. Voorts, omdat de zaak werd beslist middels een bindend oordeel van het Inter-Amerikaans Hof, hebben Eduards en Jabini internationale jurisprudentie gecreëerd waardoor vrije, voorafgaande en weloverwogen instemming (free, prior and informed consent – FPIC) vereist zal zijn voor grote ontwikkelingsprojecten in het hele Noord- en Zuidamerikaanse continent. Zij hebben niet alleen de 9000 vierkante kilometer bos van hun dorpen gespaard, maar zij hebben ook de mogelijkheden verruimd om ontelbare kilometers méér bos te besparen. | PRESS RELEASES
GOOGLE EARTH TOUR
GROUP PHOTOS
CEREMONY PHOTOS
2009 RECIPIENTS
|